Criteria voor plaatsing op de Unielijst

Om op de Unielijst van invasieve exoten te kunnen worden opgenomen moeten soorten aan de volgende criteria voldoen:

  • De soort is uitheems op het grondgebied van de EU, met uitsluiting van de regio's waar de dieren en planten op natuurlijke wijze kunnen komen.
  • De soort kan een leefbare populatie vormen.De soort kan zich onder de huidige omstandigheden en voorzienbare omstandigheden als gevolg van klimaatsverandering in de omgeving verspreiden
  • Het verspreiden moet kunnen in één biogeografische regio die door meer dan twee lidstaten wordt gedeeld of in een groot kustgebied met uitsluiting van de regio's waar de dieren en planten op natuurlijke wijze kunnen komen.
  • De soort heeft waarschijnlijk aanzienlijke nadelige gevolgen voor de biodiversiteit of aanverwante ecosysteemdiensten
  • Het is waarschijnlijk dat de soort ook nadelige gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid of economie
  • Gecoördineerd optreden op Unieniveau is nodig om de introductie, vestiging of verspreiding van de soort te voorkomen
  • Het is waarschijnlijk dat door het opnemen van de soort in de Unielijst de nadelige gevolgen daadwerkelijk worden voorkomen, tot een minimum beperken of matigen.

Aan alle eisen moet worden voldaan voordat een soort op de lijst mag worden geplaatst. Dat dit het geval is moet met wetenschappelijke bewijsmiddelen worden onderbouwd. Voor veel soorten die nu op de voorgestelde Unielijst staan is helemaal niet aan alle voorwaarden voldaan. Verder staat in de huidige voorschriften van de Verordening dat een soort zich moet kunnen verspreiden over het biogeografische grondgebied van meer dan twee lidstaten. Dit is eigenlijk geen goed criterium, enerzijds niet, omdat de EU veel verschillende biotopen en klimaatszones kent, waardoor een soort in een deel van de EU schadelijk kan zijn maar in de rest van de EU niet, anderzijds omdat een soort niet overal een negatief invloed hoeft te hebben op de natuur, de menselijke gezondheid of de economie. Dit hangt van veel andere factoren af. Het is daarom van belang de mogelijkheid die de Verordening geeft om een soort regionaal aan te pakken, veel beter te benutten.

Dat de beoordeling van veel soorten niet klopt, blijkt uit de navolgende voorbeelden

De waterhyacint

De waterhyacint is een plant met een grote economische waarde en een grote waarde als sierwaterplant. De soort is op de lijst geplaatst omdat hij in gebieden met een subtropisch klimaat zich snel kan verspreiden. Dit is voor de EU echter alleen het geval in Spanje en Portugal, waar de plant niet wordt geïmporteerd. In het overgrote deel van Europa sterft de plant jaarlijks af, waardoor hij niet invasief kan worden. Bij de beoordeling van de soort is geen rekening gehouden met deze temperatuurgevoeligheid en het feit dat de soort nooit voor grote gebieden in de EU invasief kan worden. Voorts is het economisch belang dat de plant vertegenwoordigd niet meegewogen terwijl dit gelet op de eisen aan het onderzoek zoals weergegeven in de Verordening wel had gemoeten.

Rode neusbeer

De Rode neusbeer komt mogelijk voor in Cumbrië,een regio in het westen van het Verenigd Koninkrijk. De impact van de soort in dit gebeid is laag of onbekend. Duidelijk is dat de soort zich na ruim 10 jaar niet verder heeft verspreid. Ook is onaannemelijk dat de soort zichzelf voortplant. Er is mogelijk nog een populatie op de Balearen maar daarvan is ook geen duidelijk omschrijving te vinden. Er wordt bij deze soort dus helemaal niet voldaan aan de duidelijke voorwaarden van de Verordening. Dit is een voorbeeld van een soort waarbij niet vaststaat dat het onderzoek zorgvuldig is. Er ontbreekt hier een grondige beoordeling van het risico van introductie, vestiging en verspreiding in relevante biogeografische regio's.

Indische Mangoeste

Hetzelfde geldt voor de Indische mangoeste. Deze soort komt alleen in Kroatië op één schiereiland voor. Hij leeft daar sinds 1910 en heeft zich niet of nauwelijks verder verspreid. Er is dus niet voldaan aan de eisen die de Verordening stelt. De impact staat als hoog maar dat is volledig gebaseerd op situaties buiten Europa in geheel andere omstandigheden namelijk die waarin er geen sprake was van predatoren en waarbij de soort op eilanden aanwezig was, waar de impact altijd veel groter is. Er wordt geen enkel verband gelegd tussen de diersoort en de van hem uitgaande bedreiging binnen de EU.

Als problemen zo duidelijk regionaal zijn, zo klein binnen één afzonderlijke lidstaat, dan kan een algeheel verbod op alles op EU-niveau niet gerechtvaardigd worden. Een verbod voldoet niet aan het evenredigheidsbeginsel, het onderzoek niet aan het zorgvuldigheidsbeginsel en de eisen die op grond daarvan in artikel 4 van de Verordening zijn opgenomen.

Heilige Ibis

Bij de Heilige ibis is het risico op introductie volledig verbonden aan een aantal ontsnappingen uit dierentuinen in de tweede helft van de 20ste eeuw. De dieren konden in een aantal gevallen vrij vliegen en hebben zich daardoor vanuit twee dierentuinen in Zuid-Frankrijk in het wild vestigen. Al zou de huidige populatie zorgwekkend invasief zijn, dan wordt niet voldaan aan het evenredigheidsbeginsel door alle handelingen met de soort te verbieden. De enige handeling die noodzakelijk is te verbieden is dierentuinen verbieden de vogels vrij te laten vliegen. Verplichten tot kortwieken of houden in grote volières is voldoende.